Van mijn favoriete boek is een film gemaakt. Daar waren al heel lang plannen voor.
Ik durf niet zo goed te gaan kijken. Want het kan een rotfilm zijn. Het kan natuurlijk ook een hele goeie film zijn. Maar wat het ook is, de plaatjes in mijn hoofd zullen voor altijd vervangen worden door die in de film.
En het is wél mijn lievelingsboek.
Kijk, het zit zo.
Ik wilde altijd al gitaar leren spelen. En toen, op mijn verjaardag, kwam er een gitaar. En iemand die me het allereerste begin bijbracht. En ik kan een G pakken, en een D, en een Am, een C, een E, en nog iets dat D6/9 heet. Dat klinkt heel indrukwekkend. Dat ik het kan, bedoel ik, want als je ernaast zit, klinkt het voor geen meter. Als de gitaar geen 6 snaren had, maar 4, en een stuk kleiner zou zijn, zou het geen gitaar zijn maar een viool, en zou je zeggen: kattengejank.
Het probleem is: ik kan niet overpakken. Ik kijk naar de gitaar, naar m’n vingers, en voila. Kramp. Ergens in de pezen en de spieren van mijn polsen en vingers ontbreekt het nodige coördinatievermogen om te wisselen van de ene houding naar de andere. Ikkannognieeens A horse with no name spelen, terwijl dat zo’n beetje het makkelijkste en saaiste is wat er is. Echt.
Dus, nou ja, ik oefen door. Misschien kan ik het op een dag. Want hele volksstammen spelen gitaar en niet onverdienstelijk ook. En een wat kleiner groepje speelt om te huilen zo mooi (geen kattengejank dus, alhoewel sommigen dat dan wel weer zeggen, maar die hebben er geen verstand van).
Maar ik word geen gitaarvirtuoos. Weer een toekomstdroom aan diggelen.